Kalmen Wewerik

There are no translations available.

Vanuit een barakkenkamp in zijn geboorteplaats Chelm werd Kalmen Wewerik in november 1942 op transport gesteld naar Sobibor. Zijn ouders, vrouw en twee kinderen waren toen al gedeporteerd.

“Op een nacht in de zomer van 1942, om drie uur in de ochtend, omsingelde de SS onze barakken en voerde 1.500 van ons naar buiten. De mensen schreeuwden en schreiden verschrikkelijk; de meesten wisten wat zou gebeuren. We werden naar goederenwagons gedreven. Zulke treinen reden dag en nacht, ze vervoerden de joden naar hun dood.

De SS'ers brulden en vloekten luid en dreven ons als beesten naar de goederenwagons. Deze waren volgepropt met kleine kinderen, zieken en gewonden, levenloze lichamen en hysterische joden. Het huilen en roepen was onbeschrijfelijk. In mijn wagon zaten de laatste overlevenden van de joodse gemeenschap in Chelm. De wagon had geen ramen. Veel joden zeiden dat we naar de gaskamers gingen, de dood tegemoet. Sommigen wisten zelfs de naam van het oord: Sobibor. Maar wie kon hen geloven: het was donker en de meesten waren verward en gedesoriënteerd.

De wagons puilden uit en met het gerinkel van de sloten werden de deuren dicht gedaan. Het was een verschrikkelijke zomernacht. Er kwamen twee Oekraïense bewakers in onze wagon en zij vertelden openlijk dat we vergast zouden worden. We zouden nooit meer terugkeren. Onze bestemming was Sobibor, een onlangs in bedrijf genomen vernietigingskamp. Ontsnappen was onmogelijk, er was geen weg terug.

De Oekraïeners sloegen genadeloos op iedereen in die geen waardevolle bezittingen inleverde. Al gauw zaten velen onder het bloed. Een enkeling die besefte dat we onze vernietiging tegemoet reden, wrikte planken uit de wand en sprong naar buiten toen de trein vaart minderde in de bossen. De Oekraïeners lieten de trein stoppen en gingen achter hen aan. Twee van de ontsnapten werden gedood en in mijn wagon geworpen. De Oekraïeners sloten de wagon weer af en de trein vervolgde zijn reis naar de hel.

Toen de trein het kamp naderde, konden we de SS'ers horen schreeuwen. We roken de geur van verbrand mensenvlees. Een grote poort ging open en de trein reed het kamp binnen. We hoorden het geratel van metaal op metaal toen de deuren van de goederenwagons open gingen, en toen, recht voor ons, zagen we een bord: SS-Sonderkommando Sobibor. We zagen SS'ers met zwepen in hun hand. Naast hen stonden Oekraïeners, ook met zwepen, en joodse kapo’s. Een Duitser brulde: "Austreten aus den Waggonen" and we sprongen uit de wagons. We waren vervuld van angst. Velen stierven aan een hartaanval, anderen trilden van angst. Mensen waren hysterisch, anderen zaten onder de urine en uitwerpselen. Tijdens de reis was geen voedsel of water uitgedeeld.

Twintig Joodse gevangenen van het Bahnhofkommando stonden klaar met karren. Zieken, bewusteloze en kreupele mensen, doden, allemaal werden ze in die karren opgestapeld en direct weggevoerd. Veel kleine kinderen werden ook in die karren gegooid. De lichamen lagen in alle houdingen, hoofden naar beneden, hoofden omhoog, armen en benen bungelend. Veel SS'ers stonden erbij. En ze waren tevreden met de voortgang van het werk.

bron: Wewryk K., To Sobibor and back blz. 55-57; 59-60

Print