Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Stanislaw Szmajzner

Stanislaw SzmajznerStanislaw Szmajzner (Pulawy 13 maart 1927) kwam als vijftienjarige jongen in Sobibor. Hij was goudsmid en moest zegelringen en andere sieraden maken voor de bewakers. Tijdens de opstand wist hij drie in dekens gewikkelde geweren te bemachtigen. Hij schoot één van de Oekraïense bewakers in de wachttoren neer: “Dat was de eerste keer in mijn leven dat ik schoot”.

Behalve gouden sieraden vervaardigen moest Stanislaw Szmajzner kinderwagens controleren die met de transporten waren meegekomen. Ook was hij voorman van de onderhoudsmonteurs. Na de opstand sloot hij zich aan bij de partizanen. In 1947 emigreerde hij naar Brazilië. Op het politiebureau van Sao Paulo herkende hij Gustav Wagner, die kort daarop zelfmoord pleegde. Szmajzner overleed op 3 maart 1989 in Goiania, Brazilië.



omzwervingen in Polen
Op 12 mei 1942 kwam in Sobibor een transport uit het getto van Opole aan. Onder hen bevond zich de vijftienjarige Stanislaw Szmajzner. Hij was geboren in Pulawy aan de Weichsel. Zijn ouders, die voornamelijk Jiddisch spraken, waren leden van de orthodox-joodse gemeente. Stanislaw bezocht de Tarbutschool, waar ook Hebreeuws werd onderwezen. Nadat hij de school had verlaten, ging hij werken bij een goudsmit hoewel zijn vader, eigenaar van een paar fruitwinkels, liever had gezien dat hij had doorgeleerd. De joodse gemeenschap leefde vrijwel geïsoleerd in een antisemitische omgeving. Veel joden uit Pulawy hadden de streek verlaten en waren naar onder meer West-Europa geëmigreerd.

Kort na de Duitse inval in Polen werd Pulawy gebombardeerd. Nadat Stanislaw enige tijd zijn heil in het door het Rode Leger bezette deel van Polen had gezocht, keerde hij terug naar zijn ouderlijk huis maar werd door de Duitsers als jood gearresteerd. Hij wist te ontsnappen en na enige omzwervingen trok hij door naar Wawolnica, waar zijn ouders, zijn broer en zijn zus in een verlaten huisje onderdak hadden weten te vinden. Stanislaw meldde zich bij de Joodse Raad om aan voedsel te komen. Later vertrok het gezin naar Kazimierz, waar ze in een paardenstal moesten werken. Het werk was zwaar en het gezin besloot zijn geluk elders te beproeven. Na grote ontberingen en uitgeput door honger, ziekte en kou kwam het gezin uiteindelijk in het getto Opole terecht. Voorjaar 1942 werd het getto geliquideerd en eind maart werd de eerste groep joden per trein afgevoerd naar vernietigingskamp Belzec. Het eerste treintransport naar Sobibor vond plaats op 12 mei 1942. Ook het gezin Szmajzner werd weggevoerd.

de goudsmit van Sobibor
Nadat de tweeduizend joden uit Opole onder het geweld van stok- en zweepslagen door SS’ers en Oekraïense bewakers uit de veewagons waren gejaagd, werden de mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Stanislaw, die een klein houten kistje met gereedschap had meegenomen, meldde zich vrijwillig als goudsmit. Hij toonde een gouden monogram als bewijs van zijn kunnen en werd door Gustav Wagner, de SS’er belast met de dagelijkse leiding van het kamp, in een apart deel van Lager I ondergebracht. In deze ruimte werkten ook twee schilders, onder wie de Nederlander Max van Dam, die via het Franse doorgangskamp Drancy in Sobibor terecht was gekomen. Onder kampcommandant Stangl maakte Stanislaw voor de SS’ers gouden ringen met SS-runen en monogrammen voor de handvaten van hun zwepen. Het goud waarmee hij werkte was afkomstig van de vergaste joden, wier gouden tanden en ringen hij moest omsmelten. Onder Stangls opvolger, Reichleitner, werd Stanislaw voorman van de onderhoudswerkplaats in Lager I. In zijn hoedanigheid van lasser en monteur kon hij zich in het hele kamp bewegen, behalve in Lager III, het afgesloten gedeelte waar de gaskamers waren.

de dood van kapo 'Berliner'
Als lid van het ondergrondse comité speelde Stanislaw een belangrijke rol in de voorbereiding van de opstand, die op 14 oktober 1943 plaatsvond. Tot de komst van de gevangengenomen Sovjetsoldaten speelden Poolse joden een dominante rol in het comité, waarin uit wantrouwen geen joden uit West-Europa waren opgenomen. De Poolse joden stelden vooral weinig vertrouwen in de joden uit Duitsland, omdat die in hun ogen onvoldoende afstand hadden genomen van de nazi’s. Geheel ongegrond was dit wantrouwen niet; de Arbeitshäftlinge hadden vooral bittere ervaringen opgedaan met een Duitse Kapo die ‘Berliner’ werd genoemd en die voor de Duitsers bleek te spioneren. Enige weken voor de opstand werd hij door Stanislaw samen met de voorman van de kleermakerij zeer zwaar mishandeld. Een Tsjechische gevangene gaf hem daarop een dodelijke injectie. Zijn opvolger als Kapo was de Nederlander Spitz, die ten onrechte als een verrader werd beschouwd.

geweren voor de opstandelingen
Volgens het plan voor de opstand dat door de Rus Petsjerski en de Pool Feldhendler was bedacht, moest Stanislaw een poging wagen geweren uit de barak van de Oekraïeners te stelen. Volgens Petsjerski was hij voor die taak de aangewezen persoon, omdat hij zich beroepshalve in vrijwel het gehele kamp mocht bewegen en bovendien goed op de hoogte was van de barakindeling. Voor het welslagen van de opstand was Stanislaws opdracht van cruciaal belang, want zonder geweren geen opstand. Het was wel een riskante onderneming; zou Stanislaw op heterdaad worden betrapt, dan kon de opstand niet plaatsvinden, omdat er stellig grootscheepse represailles zouden volgen. Met een kachelpijp onder zijn arm vertrok de jonge Pool op het afgesproken uur naar de Oekraïense barak in het Vorlager, waar hij zich meldde met de mededeling dat hij werkzaamheden kwam verrichten. Nadat hij wat aan de kachelpijp had gemorreld, deelde hij de Oekraïense bewaker mee ook nog even de kachel in de barak na gaan kijken. Stanislaw liep naar het rek met de geweren en knipte met een tang de ketting door waarmee de wapens met elkaar verbonden waren. Uit de slaapzaal, waar juist twee jongens laarzen van de Oekraïeners aan het poetsen waren, haalde hij een deken waarin hij drie geweren wikkelde. In zijn zak stopte hij enige patronen. Omdat Stanislaw het te gevaarlijk vond de barak langs de bewaker te verlaten, beval hij de jongens de bundel geweren door het raam naar buiten te schuiven waar hij hem van hen zou overnemen. Toen de jongens merkten dat er geweren in de dekens zaten, schrokken zij hevig en begonnen te huilen. Tijd voor uitleg was er niet en Stanislaw haalde een mes te voorschijn dat grote indruk maakte. De jongens deden nu wat er van hen verlangd werd. Stanislaw verliet de barak, kreeg bij het raam de bundel aangereikt en wandelde naar de keuken van Lager I, waar Petsjerski en andere Russen hem stonden op te wachten. De militairen wilden zich onmiddellijk meester maken van de drie geweren, maar Stanislaw die met gevaar voor eigen leven aan de wapens was gekomen, eiste er met succes een voor zichzelf op. Nadat de soldaten hem contre coeur hadden uitgelegd hoe het geweer - van Sovjetmakelij - werkte, verdeelde Stanislaw de munitie.

ontsnapt en bijna gedood
Tijdens de opstand wist hij een van de Oekraïeners op de wachttorens neer te schieten. Samen met de Tsjechische gevangene Kurt Thomas, die in het kamp werkte als verpleger, lukte het hem over de prikkeldraadversperring te klimmen. Vluchtelingen voor hen hadden dat ook gedaan, maar waren in het mijnenveld beland en gedood. Met achter hen schreeuwende mensen die in het prikkeldraad hingen, holden de twee over en langs de lijken naar het bos waar zij voorlopig veilig waren voor de Duitsers. Die begonnen echter onmiddellijk een klopjacht op de ontsnapte gevangenen.

Niet alleen de Duitsers jaagden op de joden, dat deden ook sommige Poolse boeren die daarvoor bij de Duitsers een premie opstreken. Poolse partizanen hadden het soms eveneens op de joden gemunt. Dat was bijvoorbeeld het geval met eenheden van de Armia Krajowa, die bestond uit Poolse nationalisten onder wie zich ook antisemieten bevonden. Zij maakten korte metten met iedere ontsnapte joodse gevangene die zij tegen het lijf liepen. Ook Stanislaw en zijn groep van dertien vluchtelingen werden met geweld geconfronteerd. Na vele omzwervingen waren zij bij het dorp Izdebno twintig gewapende bandieten tegengekomen. Die hadden de vluchtelingen hun wapens afgenomen en ook al het goud dat zij bezaten. Toen de bandieten het vuur openden, lieten Stanislaw en twee andere vluchtelingen zich op de grond vallen en bleven een half uur roerloos liggen, waardoor zij aan de dood ontsnapten. Gedrieën vervolgden zij hun tocht en vonden onderdak bij een boer in Tarnawa-Duza, die bevriend was met een van Stanislaw was kameraden.

"er zijn zaken waarover je moeilijk kunt praten"
Na de oorlog emigreerde Stanislaw naar Brazilië, waar hij als goudsmit werkte. Op zijn hacienda luisterde hij graag naar Russische volksmuziek. In zijn kamer bewaarde hij twee in een deken gewikkelde geweren. Hier schreef hij in het Portugees zijn memoires "Hel in Sobibor - tragedie van een joodse tiener" (Inferno em Sobibor). In 1967 herkende hij oud-kampcommandant Stangl, die later aan de Bondsrepubliek Duitsland werd uitgeleverd waar hij tot levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. Ook Gustav Wagner had een veilig heenkomen in Brazilië gezocht, maar in 1978 was hij opgespoord door Simon Wiesenthal. Stanislaw kon op het politiebureau Wagners identiteit bevestigen. Uitleveringsverzoeken door de BRD en Israel kwamen te laat, want Wagner zou volgens de Braziliaanse autoriteiten in oktober 1980 zelfmoord hebben gepleegd. Stanislaw heeft altijd geheimzinnig gedaan over de ware doodsoorzaak maar liet doorschemeren dat hij er meer van wist. ‘Er zijn zaken’, zei hij, ‘waarover je moeilijk kunt spreken.’ Stanislaw Smajzner overleed op 3 maart 1989 in de Brazilaanse stad Goiania.

Szmajzner bij de partizanen

Szmajzner als partizaan













Ga naar het interview met Stanislaw Szmajzner

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres