Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Kurt Thomas

Kurt ThomasKurt Thomas (Brno 11 april 1914) werd via het getto Theresienstadt naar Sobibor gebracht. In de sorteerbarak moest hij kleren en bezittingen van vergaste slachtoffers uitzoeken. Later wist hij als ziekenverzorger verschillende gevangenen het leven te redden door hen langer bedrust te geven dan was toegestaan. Toen hij tijdens de opstand over het hek was geklommen, weigerde hij haast te maken: “Ik hoef niet meer te rennen, ik ben een vrij man”.

Geboren als Kurt Ticho volgde hij het gymnasium in zijn geboortestad. Hij diende als telegrafist in het Tsjechische leger. Na de oorlog zorgde hij ervoor dat SS'er Frenzel in Berlijn kon worden gearresteerd. Kurt Thomas overleed op 8 juni 2009 in Columbus, Ohio.

 

 

"we verborgen ons in de kelder"
Nadat de Duitse Wehrmacht in maart 1939 Praag was binnengemarcheerd, werd in het Tsjechische gedeelte van Tsjechoslowakije het zogenoemde Protectoraat Bohemen en Moravië gesticht, terwijl Slowakije een Duitse vazalstaat werd. Joden werden sinds die tijd vergaande beperkende maatregelen opgelegd, later werden zij vervolgd en gedeporteerd. In maart 1942 werden alle joden uit het Moravische plaatsje Boskovice, bij Brno, op last van de Duitsers naar Theresienstadt overgebracht, daarna ging het verder naar een concentratiekamp in Trawniki in Oost-Polen. Onder de gevangenen die hier op 3 april aankwamen, bevond zich ook de 27-jarige Kurt Tomas, die na het doorlopen van het gymnasium werkzaam was geweest in een kledingfabriek en in het Tsjechoslowaakse leger had gediend. Van Trawniki moesten de gevangenen naar het getto van Pianski lopen, dat met prikkeldraad was omheind. In het getto vonden voordurend razzia’s en executies plaats. Door een gelukkig toeval werd Thomas met een groep andere mannen tewerkgesteld op een boerderij in het nabij gelegen dorpje Siedliczcze. Hij sloot vriendschap met de boer, van wie hij wat voedsel kreeg. ‘Af en toe’, aldus Thomas, ‘liep ik naar het getto van Piaski om mijn ouders en zuster van wat levensmiddelen te voorzien.’ Eind oktober verboden de nazi’s de joden buiten het getto te werken. Kort daarop werden de gettobewoners gewaarschuwd dat er een razzia op handen was. ‘Samen met anderen verborgen wij ons in een kelder maar werden door de politie ontdekt en moesten met een paar duizend joden onder onbeschrijflijke omstandigheden naar het station van Trawniki lopen. Onderweg werden de zwakken en zieken, die de uitputting nabij waren, doodgeschoten.’

"ik was een van de eersten die uit de wagon sprong"
Vanuit Trawniki werden de gevangenen in veewagens naar Sobibor overgebracht. Thomas had bij aankomst geen flauw vermoeden wat dit voor een kamp was. ‘Ik was een van de eersten die na het openen van de schuifdeuren uit de wagon sprong. De mannen en jongens moesten zich aan één kant opstellen en de vrouwen en kinderen tot zes jaar aan de andere kant. Even daarna verscheen een SS’er, naar ik later wist de SS-Oberscharführer Gustav Wagner. Hij vroeg naar schoenmakers en textielvaklieden. Ik stak mijn hand op, waarna hij mij en nog ongeveer veertig anderen uitkoos.’ Kurt Thomas werd tewerkgesteld in de sorteerbarakken, waar de kleding werd uitgezocht die door de vergaste joden was achtergelaten. Hij moest de kleren helpen sorteren op mannen- en vrouwenkleding, op nieuwe, gebruikte, iets meer gebruikte kledingstukken en op vodden. Alles wat de joodse herkomst van de kleren kon verraden, moest worden verwijderd.

Nadat hij een poosje in de sorteerbarak had gewerkt, werd hij overgeplaatst naar een ruimte waar alleen kleine bagage werd uitgezocht. Daartussen zat soms geld. Thomas begon een handeltje met de Oekraïense bewaker Dabizja.’Hij stal als de raven en kwam vaak naar mij toe. Ik sprak met hem af dat als ik hem een paar honderd zloty gaf hij mij daarvoor een kilo worst zou geven en een fles wodka. Dat werd op den duur een gewoonte. De wodka gaf ik weg omdat ik zelf niet dronk, maar de worst at ik op. Dat heeft mij op de been gehouden.’ Het gewone kampeten was uiterst karig. ’s Morgens zwarte ersatzkoffie, een slap aftrekseltje van water en cichorei, ’s middags een waterige soep met soms stukjes aardappel, en ’s avonds een snee brood - te verdelen tussen tien man – met af en toe een lepeltje marmelade.

"ik loog dat ik Rode Kruissoldaat was"
Voor zieke Arbeitsjuden bestond in het kamp geen enkele vorm van verpleging. Wanneer een SS’er vond dat iemand te ziek was om te werken, riep hij volgens Thomas: ‘Volg me naar het Lazarett’, een eufemisme voor Lager III, waar de gaskamers waren en de executies plaatsvonden. Begin 1943 werd het regime versoepeld en mochten zieke gevangenen drie dagen herstellen. De Nederlandse artsen Soubice en Nink, die hun beroep in het kamp niet mochten uitoefenen, spoorden Thomas aan zich als ziekenbroeder op te geven omdat hij immuun bleek voor tyfus. De beide artsen zouden hem met hun adviezen ter zijde staan. Toen Thomas zich bij de kampleiding meldde, vroeg Frenzel welke kwaliteiten hij had op medisch gebied. ‘Ik loog dat ik Rode Kruissoldaat was geweest in het Tsjechoslowaakse leger, maar in werkelijkheid was ik telegrafist.’ Als Sanitäter zorgde Thomas ervoor dat de zieken vaak langer dan de drie voorgeschreven dagen konden hertstellen. Vlak voor de opstand ontdekte Frenzel dat sommige Arbeitsjuden al weken ziek waren. ‘Hij liet ze aantreden en stuurde ze zonder compassie naar Lager III. Tegen mij schreeuwde hij, terwijl hij me met zijn zweep sloeg, dat ik de volgende keer aan de beurt was.‘

Zover is het nooit gekomen. Na de aankomst in Sobibor van een transport joden uit Minsk, onder wie een honderdtal joods-Russische krijgsgevangenen, werden er serieuze plannen gemaakt voor een ontsnapping uit het kamp. Het al langer bestaande ondergrondse comité onder leiding van de Pool Leon Feldhendler legde onmiddellijk contact met de Sovjetmilitairen ter voorbereiding van een massale vlucht op 14 oktober 1943. Thomas behoorde tot het selecte groepje dat de opstand voorbereidde. Tegen zijn vriendin Minny Kats uit Haarlem liet hij niets los over de plannen. Zij zou de opstand niet overleven, terwijl Thomas erin slaagde over de prikkeldraadversperring heen te klimmen en in het bos een veilig heenkomen te zoeken. Ongeveer driehonderd gevangenen waren ontsnapt; degenen die niet wilden of konden ontkomen – ook circa 300 personen – werden nog dezelfde avond geëxecuteerd. ‘Buiten hoorden we vanuit de verte nog het schieten.’ Veel vluchtelingen werden door de SS opgespoord of door Poolse boeren in ruil voor een premie bij de Duitsers aangegeven.

"ik gebruikte een emmer als wc"
Thomas’ doel was terug te keren naar de boerderij in Siedliczcze, waar hij door de boer goed was behandeld. De wegen waren te gevaarlijk, dus liep hij door de velden en wist na vier dagen de boerderij te bereiken. De boer verschafte hem onderdak in een hok. ‘Omdat het dak van stro was, had ik het niet koud. Daar bracht hij mij voedsel. Voor het geld dat ik nog had, kocht hij voor mij een deken. In het hok kon ik alleen knielen of liggen. Ik kreeg een emmer die ik als wc gebruikte en die eens per week door hem werd geleegd.‘ In de laatste week van juni 1944 zag Thomas door een gaatje in zijn hok vrouwelijke soldaten van het Rode Leger op het erf verschijnen. Toen hij de boerderij enige dagen later verliet, drukte de boer Thomas op het hart niet door het dorp te lopen,’want als de dorpsgenoten zouden weten dat hij een jood het leven had gered, zouden ze hem doden’.

Een week later sloot Thomas zich aan bij een Tsjechoslowaaks legeronderdeel. In december 1944 werd hij naar het front gestuurd om tegen de Wehrmacht te vechten. Via Krakau en Lemberg trokken de Tsjechen verder richting Slowakije en op 12 mei 1945 kwamen zij aan in Boskovice. In 1948 emigreerde Thomas naar de Verenigde Staten.

Lees meer over zijn deportatie

Kurt Thomas

Marianne Thomas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Bekijk het interview van
Jules Schelvis met Kurt Thomas


Bekijk op YouTube een interview
met Kurt Thomas en andere overlevenden
Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres