Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Schlomo Alster

Schlomo AlsterSchlomo Alster (Chelm 1 december 1908) was timmerman en moest in Sobibor helpen bij de bouw van barakken. Aan nieuw aangekomen gevangenen legde hij uit: “Dat is het vuur, dat zijn de mensen die net zijn aangekomen”. Na de opstand sloot hij zich aan bij de partizanen.

In 1936 trouwde Schlomo Alster met Hanna Grindberg. Niet lang daarna werd hun eerste kind geboren, twee jaar later volgde een tweede. Toen zij drie en vijf jaar oud waren werden ze met hun moeder door de Duitsers om het leven gebracht. In Sobibor was Schlomo Alster niet alleen timmerman; ook werd hij tewerkgesteld bij het Bahnhof-kommando. In 1946 vestigde hij zich in Rehovot, Israel. Schlomo Alster overleed in maart 1992.




'ze gingen naakt naar een barak"
In november 1942 werd Schlomo Alster uit Chelm met andere Poolse joden per trein naar Sobibor overgebracht. De 33-jarige Alster had als timmerman in zijn geboortestad voor de Gestapo gewerkt, voordat de stad etnisch gezuiverd was en de joden naar het getto waren overgebracht. Nadat de joden in Sobibor door SS’ers en Oekraïense helpers uit de trein waren gedreven, werden de meeste gevangenen onmiddellijk naar de gaskamers afgevoerd. ‘Ik heb gezien’, verklaarde Alster in 1975, ‘dat zij naar een plein werden gevoerd, dat zij zich uitkleedden en vervolgens naakt naar een andere barak gingen, ze hadden een handdoek en zeep bij zich. Hun was verteld dat zij zich konden wassen. Wat verder met hen gebeurde, heb ik niet gezien.’ Zelf behoorde Alster tot degenen die werden geselecteerd om in het kamp als timmerman te werken.

In Sobibor werden niet alleen systematisch joden in de gaskamers om het leven gebracht, ook de Arbeitsjuden waren hun leven niet zeker. Voor het minste geringste konden gevangenen worden mishandeld of doodgeschoten. Soms moest Alster inspringen bij het Bahnhofkommando, dat behalve uit SS’ers en Oekraïense bewakers ook uit tewerkgestelde gevangenen bestond. Hun taak was de treinen te ontruimen en de nieuw aangekomen gevangenen in rijen op te stellen. Alster heeft gezien hoe de SS’ers te keer konden gaan en soms het bevel gaven bejaarde gevangenen, die moeite hadden met het uitstappen op het veel lager geleden perron, aan hoofd en benen op de Rampe te laten smijten. Sommigen verloren daarbij het bewustzijn, anderen zouden zelfs zijn gestorven. Ook was hij er een keer getuige van hoe de SS’er Gomerski een gevangene had neergeschoten, omdat deze het had bestaan voor de Duitser zijn muts niet af te nemen. Zelf heeft Alster, samen met andere timmerlieden, op bevel van de SS’er op één been moeten dansen terwijl Gomerski er met zijn zweep op los sloeg. Geslagen werd er ook als de gevangenen niet keurig in het gelid naar de appèlplaats marcheerden. Pesterijen kwamen ook veelvuldig voor. Vaak moesten de gevangenen zingen, ook Duitse liederen waarin de frase ‘Judenblutt muss fliessen’ voorkwam.

Alster heeft ook meegemaakt hoe een aantal mannen hadden weten te ontsnappen uit het Waldkommando, dat in het bos bomen moest vellen en in stukken zagen. Het hout was nodig voor het verbranden van de vergaste lijken. Alle tewerkgestelde gevangenen moesten op appèl verschijnen ‘en in onze aanwezigheid werden de gevangenen van het Waldkommando doodgeschoten’. Het bevel werd gegeven door een Duitse SS’er, het executiepeloton bestond uit Oekraïense bewakers.

transporten uit Belzec en Minsk
Alster heeft tevens meegemaakt dat het transport met de laatste gevangenen uit Belzec in het kamp aankwam. Dit waren degenen die na de opheffing van dat kamp, in december 1942, gedwongen waren geweest de honderdduizenden lijken op te graven en te verbranden om de sporen van de massamoord uit te wissen. Om contact met de gevangenen in Sobibor te vermijden, had de kampleiding besloten het transport op het perron neer te schieten.

In september 1943 kwam een transport gevangenen uit Minsk in het kamp aan. Hieronder bevonden zich ook joodse krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie, onder wie Alexander Petsjerski. Alster was erbij toen deze officier van het Rode Leger kort na aankomst in het kamp had gevraagd wat toch dat hoge vuur ìn Lager III te betekenen had. Men vertelde hem toen dat in dat deel van het kamp de vergassingen plaatsvonden en de lijken werden verbrand. Daarop had Petsjerski geantwoord, aldus Alster, ‘dat hij daar niet heen wilde, maar liever op de vlucht wilde sterven.’ Binnen drie weken had Petsjerski, samen met anderen een gewaagd plan gereed voor een opstand en een massale vlucht uit het kamp, die op 14 oktober 1943 zouden plaatsvinden.

Ook Alster wist te ontsnappen. Hij vluchtte naar zijn geboortestad Chelm, waar hij zich met twee andere vluchtelingen negen maanden in een kelder schuilhield. In 1946 emigreerde hij naar Israel en vestigde zich in Rechovot, waar hij ook is overleden.

Ga naar het interview met Schlomo Alster

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres