Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Alex Cohen

"het leven is voor mij waardeloos geworden"
Op 17 maart 1943 werden de 37-jarige Alex Cohen uit Groningen, zijn echtgenote en hun kind vanuit Westerbork op transport gesteld naar Sobibor. Drie dagen later kwam de trein aan op de eindbestemming. Het was midden in de nacht en ‘het eerste wat wij hoorden, was een geweldig geschreeuw van die moffen’, verklaarde Alex Cohen in 1947. De mannen werden direct gescheiden van de vrouwen en kinderen. De kamp-SS’ers riepen dat zij werkkrachten nodig hadden en Cohen gaf zich op als metaalarbeider. Samen met de andere geselecteerden werd hij de trein weer ingedreven en werd op transport gesteld naar het kamp Lublin-Majdanek. Inmiddels waren de overige gevangenen Sobibor binnengevoerd. Zieke en invalide gevangenen waren eerder al op kiepkarretjes gehesen en over een smalspoor regelrecht naar het zogenoemde Lager III gereden. Niemand van het transport wist dat zich in dit afgeschermde deel van het kamp de gaskamers en de executieplaats bevonden. Hier werden de kiepkarren uitgeladen en de slachtoffers doodgeschoten; de lijken werden in een enorme grafkuil geworpen. De andere gevangenen werden de gaskamers ingedreven. ‘Als ik had geweten, wat zich daar in het kamp intussen afspeelde’, aldus Cohen, ‘had ik getracht daar te blijven en was ik niet teruggekomen, want mijn vrouw en kind zijn er om het leven gebracht. Mijn familie is praktisch totaal uitgeroeid, zodat het leven voor mij zo waardeloos is geworden. Ik was zo echt gelukkig.’

In 1943 werden naar Lublin-Majdanek vooral joodse en niet-joodse Polen gebracht, ook waren er veel joden uit Tsjechoslowakije en Slovenië. Vanwege de uiterst primitieve omstandigheden in het kamp, waar hard gewerkt moest worden in de landbouw, stierven velen door ondervoeding en uitputting. Gevangenen werden dikwijls mishandeld en regelmatig vonden willekeurige terechtstellingen plaats. Toen Cohen in het kamp aankwam, waren er bovendien al enige tijd gaskamers in bedrijf. Hierin werden ook de als arbeidsongeschikt beschouwde gevangenen uit Italië, Duitsland en Nederland om het leven gebracht. In totaal zijn hier minstens 200.000 mensen vermoord, van wie ongeveer 70.000 joden. Het enorme kampcomplex was onderverdeeld in zes gedeelten (Felder), omgeven door een hek met prikkeldraad. ‘De meeste gevangenen, die in Feld IV en V binnenkwamen, gingen door naar de gaskamer. Hier zijn o.a. de transporten uit Warschau binnengekomen, die vergast zijn’, aldus Cohen.

"de mof mag mij niet kapot krijgen"
In Majdanek had Cohen het geluk bij de keukenwagen te worden ingedeeld en kon daardoor zijn karig rantsoen aanvullen. Anderen waren minder fortuinlijk en slaagden er ook niet in voldoende geestelijke veerkracht op te brengen. Terwijl Cohen zich voordurend voorhield: ‘De Mof mag mij niet kapot krijgen’, zag hij anderen wegkwijnen. Een Nederlandse jongen kon het leven in het kamp niet meer uithouden. ‘Toen we aan waren gekomen en z.g nog door de dokter waren gekeurd, had ik nog tegen hem gezegd “Verdomme, wat heb jij een gespierd lichaam”, maar een week of zes later wou het al niet meer met hem, hij had geen moed meer om zich te verzetten, kreeg typhus en opgezette voeten en toen was het gauw afgelopen.’ De mannen uit Cohens Arbeitskommando slaagden er soms in waardevolle spullen te bemachtigen afkomstig uit nieuw aangekomen transporten. Cohen wist een keer aan een horloge te komen dat hij met de kapper ruilde voor boter.

Na drie maanden werd Cohen overgeplaatst naar het werkkamp Skarzysko-Kamienna, ten zuidwesten van Lublin. Door louter toeval hoefde hij niet te werken in het deel van het kamp waar de gevangenen granaten moesten vullen met de uiterst giftige springstof trotyl. Om het werk vol te houden, hadden de vorige dwangarbeiders als tegengif veel melk en eieren gekregen, maar de nieuw aangekomen Nederlanders kregen nauwelijks voedsel ‘en na drie maanden was er geen een van de Hollanders meer over’. De ‘sterkste kerels konden het er niet uithouden door de werking van het vergif.’ Cohen heeft in het kamp aan een machine gewerkt en ook kuilen moeten graven waar de doden in werden geworpen. Later kreeg hij dysenterie en hoorde hij medegevangenen zeggen: ‘Der Holländer geht kaputt.’ Maar de zieke Cohen kwam er bovenop. ‘Ik heb veertien dagen practisch niets gegeten en mijn soep en zwarte brood verkocht en wit brood teruggekocht en heb practisch ook niet gewerkt. Zo ben ik er doorheen gekomen.’

"een aardappel in de soep was een geluk"
Zoals in ieder kamp waren de gevangenen veelal op zichzelf aangewezen om te overleven. Vooral in Majdanek was de voedselvoorziening slecht en iedereen hunkerde naar wat extra eten. ‘Als je een aardappel in de soep vond, was dat een geluk. Met één stuk brood moest ik het hoofdzakelijk doen en dit hebben ze me nog vaak ontstolen. Als ik sliep’, aldus Cohen, ‘deed ik het in mijn jas en de jas weer onder mijn hoofd, maar toch was het de volgende morgen vaak verdwenen!’ Om aan meer voedsel te komen, had Cohen al eens een keer zijn broek geruild voor een van mindere kwaliteit. Het leverde hem iedere dag extra soep op.

Toen het Rode Leger in juni vanuit het oosten oprukte, werd Cohen geëvacueerd naar een werkkamp bij Czestochowa. Hij woog intussen veertig kilo en had het stadium bereikt waarin zijn omgeving hem niets meer zei. Cohen en de zijnen hoefden in het kamp niet te werken ‘en wat de anderen deden interesseerde me niet, een bewijs dat je radicaal afgestompt was, want anders zou je toch willen weten wat die mensen daar uitvoerden.‘ Gedreven door de honger stortte Cohen zich bij de vrouwenbarakken op de afvalbakken, waarin hij naar aardappelschillen is gaan zoeken. Hij heeft ze ’gewassen, op de kachel gebrand en gegeten’. Na enige tijd werd Cohen naar Buchenwald overgebracht en van daaruit weer terug naar het zuidoosten, waar hij in Theresienstadt belandde. Hier is hij uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd.

Terug naar "Nederlandse overlevenden"

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres