Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Mirjam Penha-Blits

"we zagen de oorlog in drie maanden beëindigd"
Op 25 februari 1943 werden in Amsterdam de 26-jarige Mirjam Penha-Blits en haar echtgenoot Eddy door de Sicherheitsdienst van hun bed gelicht. Zij dienden zich zo snel mogelijk aan te kleden en kregen nog net de gelegenheid wat brood klaar te maken. ‘Vlug zochten wij wat kleren bij elkaar en op mijn vraag of wij ook dekens mee moesten nemen werd geantwoord dat wij in Polen toch wel zouden verrekken’, schreef Mirjam in 1947 in haar oorlogsherinneringen. Eerst werden zij overgebracht naar het hoofdkwartier van de SD in de Euterpestraat en daarna ging het via de Borneokade naar Westerbork. Na vier dagen werden zij op transport gesteld naar Oost-Europa. Ondanks de onheilspellende woorden van het arrestatieteam was de stemming in de treincoupé – Mirjam maakte deel uit van het laatste transport per personentrein – niet gedrukt, ‘daar wij de oorlog wel binnen drie maanden beëindigd zagen’. Na een paar dagen stopte de trein in Auschwitz-Birkenau, maar na enige tijd te hebben stilgestaan zette de trein zich weer in beweging met als bestemming Sobibor.

"voor ik het wist had ik een slag met de zweep te pakken"
In Sobibor werden de gevangenen de trein uitgeslagen. Mirjam wilde nog een oudere heer helpen bij het uitstappen, ‘maar voor ik het wist, had ik reeds een slag met een zweep te pakken’. Ze zag dat de bewaking ‘bestond uit Oekraïeners met mottige gezichten, en op de kraag een doodskop en het SS-teken.’ De gevangenen werden het kamp ingevoerd en de mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden; het was de laatste keer dat Mirjam haar man Eddy zou zien. De vrouwen en kinderen werden vervolgens in een lege barak gestopt en moesten zich daarna in rijen van vijf opstellen. ‘Een Oberscharführer liep langs de rijen en zocht er 25 jonge meisjes uit, waar ik ook bij hoorde’. Tijdens de selectie zag Mirjam het smalspoor en de lorries, waarop in haar herinnering ‘alle mensen, mannen, vrouwen en kinderen in totaal een 1500’ werden gegooid. ‘Op de lorries zaten ook de Oekraïeners, die met hun zwepen op het transport los sloegen. Het was een gekerm en geschreeuw van belang. Vervolgens werd de mitrailleur er op gezet. Wij waren allen gebroken en hadden geen sprankje hoop meer om onze mannen ooit nog terug te zien.’ Mirjam en de andere vrouwen die voor werk geselecteerd waren, werden naar een barak gebracht waar zij hun sieraden en andere persoonlijke bezittingen moesten afgeven. Vervolgens werden zij de trein weer ingestopt en naar Lublin overgebracht. Behalve Mirjam maakten van dit transport onder andere de volgende Nederlandse vrouwen deel uit: Judith Eliazer, Bertha Ensel, Sophie Huisman, Cato Polak, de zussen Suze en Surry Polak, en de zussen Sientje en Jetje Veterman.

Na aankomst op het station van Lublin moesten de vrouwen, onder begeleiding van SS’ers, te voet verder naar het concentratiekamp. Onderweg ‘werden wij door de Poolse bevolking uitgescholden en in het gezicht gespogen. Onze begeleiders vonden dit prachtig, waardoor het domme volk aangespoord werd.’ In het kamp moesten de vrouwen slapen op een kale vloer zonder stro; te eten en te drinken kregen zij niet. Na een paar dagen werden Mirjam en de andere vrouwen naar het kamp Lublin-Flugplatz gestuurd. Ditmaal werden zij begeleid door vrouwelijke helpers van de SS, die nog veel erger bleken te zijn dan de SS-mannen. ‘Zij wezen ons op de schoorstenen van de crematoria en vertelden dat wij daar ook in zouden komen, maar eerst zouden wij nog moeten werken. Wat heb ik die vrouwen verwenst, die zich niet geneerden om, wanneer wij op werkcommando gingen, zich te bezuipen en schunnigheden uit te halen met SS-bewakers.‘

"het leven in het kamp is één groot gevecht"
In het kamp heeft Mirjam gewerkt in de zogenaamde lompenhal, waar zij kleding moest sorteren die afkomstig was van vermoorde joodse gevangenen. Aanvankelijk vonden de Poolse jodinnen het maar vreemd dat de vrouwen uit West-Europa geen Jiddisch verstonden. ‘Zij beschouwden ons dan ook als Christinnen. Dit heeft ons veel ellende gegeven, en is aanleiding geweest tot menige vechtpartij.’ Toch hebben de vrouwen ook samen plezier gemaakt. Mirjam mocht graag Engelse jazz-liedjes ten beste geven, wat zeer op prijs gesteld werd en haar bovendien heel wat extra boterhammen opleverde. In oktober 1943 werden arbeiders gevraagd voor werk in de marmeladefabriek in Milejow, die onder toezicht stond van de Wehrmacht. Mirjam en andere Nederlandse meisjes, die hun krachten voelden afnemen, vreesden de komende selecties niet te kunnen doorstaan. Zij meldden zich bij de Kapo, die op het aanbod van de vrijwilligsters inging en per vrachtauto werden zij naar de fabriek gebracht. De vrouwen hadden geluk gehad. Van katholieke Poolse vrouwen, die ook in de fabriek werkten, hoorde Mirjam enige tijd later dat op 3 en 4 november vrijwel alle joden in Lublin en omgeving door de SS waren doodgeschoten, ruim 42.000 in getal. Alleen de dwangarbeiders in de bewapeningsindustrie bleven gespaard. Vermoedelijk had Himmler tot deze massamoord (Aktion Erntefest) besloten naar aanleiding van de gebeurtenissen in Treblinka en Sobibor, waar gevangenen in opstand waren gekomen. Van deze verzetsdaden hadden de meisjes in de marmeladefabriek geen weet. Zij werden met een groep mannen overgebracht naar Trawniki, waar tijdens de actie van de SS ruim 6000 joden om het leven waren gebracht. Hier moesten de vrouwen de kleding van de doodgeschoten gevangenen sorteren, terwijl de mannen de lijken moesten verbranden. Het werk eindigde ermee, ‘dat de mannen na veertien dagen zelf werden doodgeschoten, en wij ook deze mannen moesten verbranden’.

In mei 1944 werd het kamp ontruimd vanwege het oprukkende Rode Leger. Mirjam en de andere vrouwen werden overgebracht naar het concentratie- en vernietigingskamp Majdanek, waarin toen geen joden meer werden vergast. In het kamp zaten nu nog overwegend krijgsgevangenen, die dwangarbeid verrichtten. Mirjam werkte er als Kapo in de wasserij voor de kamp-SS’ers. Steeds dichterbij kwam het front en ook Majdanek werd inderhaast ontruimd. Onder begeleiding van Wehrmachtsoldaten en SS’ers ging het nu te voet naar Auschwitz. ‘Enige honderden vielen die eerste nacht uit’, aldus Mirjam, ‘en ieder die aan de kant van de weg bleef liggen werd doodgeschoten.’ Omdat na een paar dagen lopen ook de Duitsers de uitputting nabij waren, werd het laatste deel van de dodenmars per trein afgelegd. In Auschwitz merkte Mirjam dat de solidariteit tussen de gevangenen soms ver te zoeken was en de haat onder de lotgenoten groot kon zijn. Maar onverklaarbaar vond zij die ontbrekende saamhorigheid niet. ‘Het is niet moeilijk om in vrijheid goed en prettig met elkaar om te gaan, maar om in een kamp het kleine vernisje beschaving te houden, waar de nood dikwijls hoog is, dat valt niet mee. Het leven in het kamp is eigenlijk één groot gevecht, je vecht voor je hap eten, vecht ervoor niet ziek te worden, om de weinige kledingstukken die je hebt te behouden.’ In Auschwitz werkte Mirjam met de andere Nederlandse vrouwen uit Trawniki enige tijd in het zogenoemde Scheisskommando, dat de fecaliën uit de ziekenbarakken moest ophalen en buiten het kamp op een mestvaalt gooien. Spoedig werd ook Auschwitz geëvacueerd en Mirjam werd met anderen naar Bergen-Belsen overgebracht. Daarna kwam zij via Fallersleben terecht in Salzwedel, waar zij de bevrijding meemaakte.

Terug naar "Nederlandse overlevenden"

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres