Jehuda Lerner

Na een ontsnapping uit een werkkamp in de buurt van Smolensk werd Jehuda Lerner opgepakt en in september 1943 via Lublin naar Sobibor overgebracht. Samen met Arkady Wajspapir doodde hij tijdens de opstand de SS'er Graetschus en de Oekraïense bewaker Klatt.

 

ganzen van Sobibor
“De trein rolde wagon voor wagon het kamp binnen. Toen onze wagon stopte, riepen ze dat we eruit moesten: ‘Raus, raus!’. Er waren Duitsers en ook veel Oekraïeners in zwarte uniformen.”

Uit de groep krijgsgevangenen zochten de Duitsers zestig sterke mannen: “ik dacht als er hard gewerkt moet worden, is er vast eten dus ik doe mee”. Er meldden zich maar vijftig mannen en een Duitser schreeuwde: ‘wie niet wil werken kan direct naar Mozes’. Hij koos er nog tien uit en zette hen apart. “Toen hoorden we dat de anderen werden weggevoerd. We hoorden geschreeuw en gekrijs. Het was het geluid van echte ganzen. Dat hield een uur aan, toen werd het opeens weer stil. We hoorden later dat de Duitsers over honderden ganzen beschikten. Op het moment dat de joden begonnen te schreeuwen brachten de Duitsers de ganzen in paniek zodat die ook gingen schreeuwen. De ganzen overstemden zo de mensen. Het waren echte ganzen, ze waren er speciaal voor gefokt om het geschreeuw van de mensen te smoren. Omdat ze duizenden mensen tegelijk meenamen wilden de Duitsers vermijden dat de mensen achterin het geschreeuw zouden horen.”

eten zoveel we wilden
“Toen het stil was geworden kwam er een joodse kapo op ons af. We moesten in een rij gaan staan. Hij bracht ons naar een plek in het kamp waar enkele barakken stonden. De zestig mannen kwamen in één barak terecht. Het was vroeg in de middag, er liepen mensen rond. Eenmaal in de barak kregen we nieuwe kleren en dekens zoals we in geen jaren hadden gezien. Die kleren en dekens waren afkomstig van mensen uit ons transport en eerdere transporten. We werden naar de keuken geleid waar we heerlijk eten kregen, zoveel we maar wilden.”

“Later spraken we met de joden die er rondliepen. We spraken Jiddisch en Pools. Ze legden ons uit dat hier in Sobibor de joden werden verbrand. Eerst werden ze vergast en daarna verbrand. We beseften dat niemand Sobibor levend zou verlaten. Ze zeiden dat niemand kon ontsnappen.… We spraken de hele nacht over ons lot en wat we konden doen. De volgende ochtend moesten we aan het werk. We moesten bomen omhakken en ondergrondse munitiedepots aanleggen.”

we moesten de Duitsers doden
“We vonden dat we op deze plek geen tijd mochten verspillen. Ik was net krijgsgevangene, we vormden een comité dat in contact moest komen met de joden die Sobibor al een beetje kenden. Hoofd van het comité was een joodse officier uit het Rode Leger, Sacha Petsjerski. Hij nam contact op met de joden van Sobibor en speelde aan ons door dat twee eerdere opstanden waren mislukt. De eerste keer werd een groep van vijftig verbrand, de tweede keer probeerden de joden een tunnel te graven maar zonder succes. Om in onze opzet te slagen moesten we ons plan geheim houden. Slechts enkelen mochten het weten. We moesten de Duitsers doden.”

“In het kamp waren alle ambachten vertegenwoordigd: schoenmakers die voor de Duitsers en Oekraïeners werkten, kleermakers, zelfs een goudsmid. Als een Duitser met verlof ging kon hij een gouden ring laten maken en andere sieraden. Het waren joden die voor de Duitsers werkten. We kozen een plek uit waar we een nieuwe barak wilden bouwen. Ons plan was om te zeggen dat er timmerlieden in het kamp waren en dat we dus een barak nodig hadden voor het timmermansambacht. We kregen toestemming om de barak te bouwen. We dachten ook aan het gereedschap om de Duitsers te doden. Als timmerlui zouden we zeker bijlen krijgen.”

14 oktober om exact vier uur
“Er werkten kinderen in de kantine. Sommige van hen gingen mee naar de huizen van de Duitsers om hun laarzen te poetsen. Die kinderen hadden gehoord dat het kamp weldra zou worden vernietigd. We besloten dat we snel moesten handelen want als we zouden wachten riskeerden we het om vernietigd te worden.… De datum van de opstand was vastgesteld op 14 oktober om exact vier uur.… Sinds mijn aankomst in het kamp waren er zes weken verstreken.”

“We wilden de officieren elke paar minuten laten langs komen in de werkplaatsen van de kleermakers en schoenmakers. We wilden ze naar de werkplaatsen laten komen. En voor elke werkplaats waren twee mannen door het comité aangewezen. Ze moesten contact opnemen met de joodse ambachtslieden die verantwoordelijk waren voor elke werkplaats.”

“Ruim twintig joden deden mee aan de opstand. We waren verspreid over alle plekken waar we de Duitsers konden oproepen. Het comité dat de opstand leidde koos degenen die mee zouden doen. Maar ik weet niet wat hun criteria waren. Ik persoonlijk vond het een eer om een Duitser te moeten doden. Ik was tamelijk jong maar al wel sterk gebouwd. We wilden de zestien Duitsers binnen het kamp doden. Er waren er eigenlijk dertig maar sommigen hielden zich buiten het kamp op. Ze verdeelden zich in tweetallen. Toen we tot de opstand besloten waren er zestien present. Er waren enkele honderden Oekraïeners die het kamp moesten bewaken. Om het kamp stond een hek dat onder stroom stond, met mijnenvelden aan de andere kant van het hek. We hadden een elektriciën opdracht gegeven om het elektrische systeem uit te schakelen. De joodse elektriciën had altijd voor de Duitsers gewerkt. Op die dag was het zijn taak om de stroom af te sluiten. De telefoonlijnen sneed hij ook af.”

heel eng om te doden
“Het was de simpele realiteit: als we niet zouden doden zouden we gedood worden net als de joden vóór ons. Ik vond het heel eng om te doden maar soms wordt je gedwongen om te handelen op een manier die je liever had vermeden. We wisten dat we geen keus hadden. We zouden omgebracht worden. We wilden niet als beesten worden afgeslacht. We wilden als mensen sterven. Je werd liever doodgeschoten dan naar de gaskamers gebracht. Het was de realiteit die ons ertoe bracht.”

“Ik werkte in de kleermakerswerkplaats. Het was onze taak om de Duitser Graetschus te doden. Hij had de leiding over de Oekraïeners in het kamp. Hij liet ons een leren jas maken met een bontvoering.”

“In de werkplaatsen namen we onze posities in. Dat was een uur voor de geplande opstand. Dat was afgesproken met de kleermaker die er de leiding had. Wij waren daar en we veinsden dat we ook kleermaker waren. We moesten dat ene moment vinden om achter die Duitser te komen om hem de doodklap toe te dienen. Er zou zich een moment voordoen dat de kleermaker de Duitsers zijn jas liet passen op de jas aangaf – op de voorkant van de jas – waar de knopen kwamen. Op een goed moment zou hij neerknielen. Dat was het moment om op de Duitser toe te snellen en hem te doden. Aangezien mijn kameraad een soldaat was spraken we af dat hij het dichtst bij zou zitten. De kleermaker zou ervoor zorgen dat mijn kameraad de eerste klap zou kunnen uitdelen.”

die Duitser stond pal naast me
“In de kleermakerswerkplaats zaten mijn kameraad en ik met onze vlijmscherpe bijlen klaar.… We hadden ze zo scherp gemaakt dat het wel scheermesjes leken.”

“Om vier uur zou de Duitser ons gebouw binnenkomen. Om vijf voor vier zagen we door onze deur dat er een paard werd weggeleid. Dat was het teken dat er een Duitser was vermoord. Mijn kameraad en ik bevonden ons in het kleermakersatelier. Ik had een jas over mijn knieën gelegd en deed of ik er knopen op zette. De bijlen hadden we onder de jas verborgen. Om vier uur arriveerde de Duitser Graetschus om zijn jas te passen. Ons hele plan was erop gebaseerd dat de Duitsers zeer punctueel waren. Alleen daardoor slaagden we in onze opzet. Als ze die dag niet stipt waren geweest was alles mislukt.”

“Toen Graetschus binnenkwam deed hij een stap naar voren, deed zijn koppel met pistool af, legde het pistool op tafel en stapte zó naar voren dat hij naast me stond. Dat was van tevoren anders gepland. Mijn kameraad was soldaat terwijl ik nog nooit iemand had gedood. Maar die Duitser stond pal naast me.”

“Graetschus was zo’n een meter negentig lang, met brede schouders. Een enorme man, lang en omvangrijk. Een rijzige gestalte. Ik had hem wel eerder gezien maar om zo naast hem te zitten was echt verbijsterend. Om naast zo’n monster te zitten vervult je echt met angst. De Duitsers waren vol zelfvertrouwen. Ze waren zo zeker van zichzelf na alle joden die ze hadden gedood dat ze zich dit niet konden voorstellen. In dit kamp verliep alles op rolletjes voor de Duitsers. Het was een goed geoliede machine. Ze schreeuwden, ze renden en jaagden iedereen schrik aan. En wij waren de ongelukkigen. Ze konden zich niet inbeelden dat er iets zou veranderen vanuit onze kant. Honderdduizenden mensen waren door dit kamp gekomen.”

het duurde misschien een halve minuut
“Graetschus stond een meter van me af. Er was afgesproken dat wanneer de kleermaker hem de jas liet passen, de plek voor knopen aanwees en neerknielde dat mijn kameraad zou toeslaan. Maar omdat ik het dichtst bij was stond ik op. Ik had de jas over mijn handen liggen, de bijl onder de jas. Ik stond op, liet de jas vallen, greep de bijl beet en deed een korte stap naar voren. Het duurde een duizendste van een seconde. Het ging zo snel dat ik niet meer.… Hij schreeuwde hard en viel neer. Ik had de bijl opgetild en liet die op zijn hoofd neerkomen. De bijl kwam midden op zijn schedel terecht. Ik kliefde de schedel in twee helften. Het was alsof ik dat al mijn hele leven deed, alsof ik een specialist was. Ik raakte hem, hij zakte in elkaar en viel neer. Mijn kameraad heeft hem een tweede klap gegeven. De mensen uit de werkplaats hielpen om het lichaam weg te halen want er zou nog een tweede Duitser komen.”

“In die werkplaats stond een tafel waaronder een stapel jassen voor de Duitsers klaar lag. We sleepten het lichaam naar de tafel en legden het onder de stapel jassen. De mensen in de werkplaats ruimden het bloed op en legden lakens op de vloer. In een paar seconden wasten we ons, deden onze jas uit en gingen zitten alsof er niets gebeurd was. Het duurde misschien een halve minuut.”

blij van binnen
“Om vijf over vier kwam de tweede Duitser binnen. Hij keek rond, zei dat hij de werkplek smerig vond, dat we muren moesten witten en de boel opruimen. Hij stapte naar voren, keek om zich heen…. Graetschus’ arm stak onder de stapel jassen uit, dat hadden we kennelijk over het hoofd gezien. De Duitser deed een paar passen en ging op de hand staan. Dus begon hij te schreeuwen ‘was ist das?’ Mijn kameraad sprong meteen naar voren en gaf hem een klap. De Duitser zakte in elkaar en toen heb ik hem nog een tweede klap gegeven. Dat vergeet ik nooit meer. Het blad van de bijl kwam op zijn tanden en dat gaf een soort vonk.”

“Eerlijk gezegd waren we vooral blij dat we geslaagd waren in onze missie. We wasten ons, trokken andere kleren aan en hoorden dat er al elf Duitsers waren omgebracht. Kinderen liepen van barak naar barak om ons op de hoogte te houden. Ook was er een kapo die aan onze kant stond. Hij zei dat alles volgens plan verliep.”

“Een gevoel van blijdschap omdat het gelukt was maar ook tranen in je ogen omdat er zoveel mensen zijn omgekomen. De voldoening dat het gelukt was om de getroffenen te wreken en het gevoel het juiste te hebben gedaan. Om vijf uur waren we met alles klaar: we waren samengekomen om de rest van het plan uit te voeren. In het kamp waren we nog minder dan menselijk, we wisten niet wat we waren. Het was een onbeschrijfelijk gevoel. In het kamp maakten ze wilde beesten van mensen. Geen mensen, geen nummers. We waren niets. Als het je dan lukt om een Duitser te doden die vreselijke dingen heeft gedaan.… natuurlijk ben je dan blij van binnen. Ik wist toen al wat het Duitse geweld betekende. Ik wist waartoe hun wreedheid kon leiden. Ik wist wat voor beesten het waren.”

laten we vluchten
“Elke dag om vijf uur was er appèl. Dan werden alle kampgevangenen samengebracht. We moesten ons in rijen opstellen. Een Duitser genaamd Frenzel riep onze namen en dan konden we gaan. Om vijf uur stonden we te wachten voor het appèl. Sommige kameraden hadden wapens. Die hadden we afgepakt van de Duitsers die we hadden gedood. We stonden te wachten op Frenzel maar hij kwam niet. Dat was nooit eerder gebeurd. Frenzel was er altijd voor het appèl. Misschien voelde hij dat er iets aan de hand was. De telefoon en elektriciteit waren afgesloten. We hadden geen tijd te verliezen. Onze kameraden die Russisch spraken, riepen naar de Oekraïeners die het kamp van buiten bewaakten: ‘we hebben de Duitsers gedood, laten we vluchten’. Iedereen rende naar het hek en er ontstond een wilde stormloop. De Oekraïeners openden het vuur. Sommigen wisten het hek te passeren en je hoorde overal explosies. Wie het lukte het hek te passeren kwam in het mijnenveld terecht.”

“We wisten het depot te bereiken waar de wapens lagen. Met die wapens passeerden we het hek. De afstand van het hek tot het bos rondom het kamp was hooguit vijfhonderd meter. Het hele kamp was door bos omgeven. Vanuit het kamp gaf Frenzel opdracht om ons te achtervolgen en neer te schieten. Iedereen rende door het hek en ik was al aan de andere kant. Het begon te regenen, niet zwaar, druppels. Het was winter, dan was het om vijf uur al donker. Ik rende het bos in en op dat moment – misschien waren het de emoties of de vermoeidheid – kon ik niet meer lopen en zakte ik ineen. Ik viel en sliep meteen.”

bron: Lanzmann C., Shoah (1985)

Afdrukken