Gerrit Kleerekoper

Gerrit Kleerekoper (Amsterdam, 15 februari 1897) was van oorsprong diamantslijper maar verdiende zijn geld als gymnastiekleraar aan het Joods Lyceum aan de Amsterdamse Stadstimmertuinen. In zijn vrije tijd was hij trainer bij de turnvereniging Bato, die vrijwel volledig uit joodse leden bestond. Hij organiseerde in 1926 het eerste dameskampioenschap turnen in Amsterdam.

Op 28 mei 1919 trouwde Gerrit Kleerekoper met Kaatje Ossedrijver, samen kregen zij twee kinderen: Leendert op 15 januari 1923 en Elisabeth op 14 oktober 1928, het jaar waarin de door Kleerekoper getrainde turnsters goud wonnen op de Olympisch Spelen.

Ter voorbereiding op de Olympische Spelen liet hij zijn pupillen vanaf juni 1928 op de woensdagavonden en zondagochtenden buitentrainingen verrichten om te wennen aan de wisselende weersomstandigheden. Zijn vernieuwende aanpak ontlokte een verslaggever van Het Turnblad de opmerking: "tenslotte waren onze Dames dankzij de serieuze training van de onvergetelijke Gerrit Kleerekoper volkomen gereed voor de grote Olympische strijd". Een van de gouden turnsters, Alie van den Bos, concludeerde vele decennia later dat zij de overwinning aan Kleerekoper te danken hadden: "De trainingen voor de Spelen werden in het begin steeds in gymzalen gehouden, maar de Olympische wedstrijden zouden in het stadion, dus buiten plaatsvinden. Daarom besloot de leider van het toestelturnen, Gerrit Kleerekoper, de laatste maanden in het weekeinde in Den Haag in de open lucht te oefenen. Kleerekoper zei: je weet het nooit met het weer, het kan wel eens heel warm worden in het stadion en daar moeten jullie tegen bestand zijn. Dat oefenen buiten was heel goed, want we merkten al gauw dat je daarvoor heel wat meer energie nodig hebt dan in de zaal".

Enkele jaren na de Spelen verzorgde Gerrit Kleerekoper een dagelijks gymnastiekuurtje voor de radio. ’s Ochtends vroeg om kwart voor zeven zond de VARA zijn programma met lichamelijke oefeningen uit. De sessie begon met de vraag "luisteraars, staat u allen klaar?". Begeleid door een piano vanuit de studio liet hij zijn toehoorders in hun huiskamers vervolgens buig- en strekoefeningen uitvoeren.

In november 1942 moesten Gerrit, Kaatje en Elisabeth hun huis aan de Rivierenlaan 94 gedwongen verlaten. De laatste maanden voor hun deportatie woonde het gezin aan de Transvaalstraat 136. Op 20 juni 1943 om negen uur ’s avonds werden zij van huis gehaald. Met hun bagage liepen zij naar het Krugerplein vanwaar een overvolle tram hen naar het Muiderpoortstation bracht. Vanwege de drukte worstelden ze "zowat een uur in de tunnel om in de hal te komen". Inmiddels was het middernacht geworden. Op het perron moesten ze hun huissleutel inleveren bij een ambtenaar. Na nog een uur wachten verscheen de trein en om twee uur ’s nachts werden zij met nog 53 anderen in een goederenwagon gepropt. Door een klein kiertje kwam frisse lucht binnen. In het "hartstikke donker" schreef Kaatje met een potlood een boodschap aan haar schoonzus: "We zitten in een goederenwagon en zijn nog niet vertrokken. De stemming hier is perfect. Ik hoop dat je dit kunt lezen. We zitten op de grond met z’n 55. Het is denk kwart over twee. We zitten met een kaars en ik kan niet zien wat ik schrijf. Nu Trien en Leo, een pakkerd van Ger, Ka, Elly".

Om vijf uur was de trein bij Zwolle en schreef Gerrit nog een briefkaartje: "We hopen elkaar na niet te lange tijd terug te zien". Voordat ze in Westerbork geregistreerd konden worden, was het acht uur ’s ochtends en brandde de "gloeiend hete zon" al boven hun hoofden.

Tien dagen later, op 30 juni 1943 stonden de namen van Gerrit, Kaatje en Elly Kleerekoper op de transportlijst. Dochter Elisabeth schreef aan haar tante Trien: "We hebben alles al gepakt voor het transport. Je mag een broodzak, deken en handtas meenemen. De trein staat er al, bijna schoongemaakt. Waar we heen gaan weten we niet. Misschien gaan we helemaal niet vannacht. Ik ben er in elk geval niet bang van. Maar als er toch wat gebeurt, moeten jullie flink zijn […] De havermoutkoekjes en roggebrood heb ik bewaard om in de trein te eten". Vlak voor ze de brief opvouwde, voegde Elisabeth een snelle aantekening onderaan de brief toe: "dinsdag vertrokken".

Hun eindbestemming was Sobibor. Met hetzelfde transport ging ook Lea Nordheim, een van de turnsters van de gouden Olympische ploeg, met haar man en dochtertje mee. Allen zijn op 2 juli 1943 meteen na aankomst om het leven gebracht.

bronnen:
Brouwer E., "De moord op een gouden turnploeg" in Liempt A. van & J. Luitzen (red.), Sport in de oorlog, meer verzetje dan verzet (Amsterdam, Antwerpen 2010) blz. 29-58
Correspondentie van de familie Kleerekoper, 1940-1945. NIOD collectie 247, inv.no. 135-137


Terug naar "Slachtoffers"

Afdrukken