Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Olympische turnvrouwen

Zeker dertig Olympische sporters zijn tijdens de Holocaust omgekomen. Onder hen de neven Alfred en Gustav Felix Flatow die bij de eerste moderne Olympische Spelen van 1896 deel uitmaakten van de Duitse turnploeg. In de teamcompetitie behaalden zij de gouden medaille op het onderdeel brug met gelijke leggers. Op het zelfde toestel won Alfred ook de individuele gouden medaille en aan de rekstok werd hij tweede. Beide neven kwamen om het leven in het ghetto Theresienstad, Alfred op 28 december 1942 en Gustav Felix op 29 januari 1945.

Uit Nederland zijn zestien Olympiërs slachtoffer geworden van de Holocaust, onder wie vier joodse vrouwen die in 1928 goud hadden gewonnen met de damesturnploeg. Dat jaar werden de Olympische Spelen in Amsterdam gehouden en mochten voor het eerst vrouwen meedoen met atletiek en turnen. Nederland vaardigde tien turnsters met twee reserves af voor de competitie tussen nationale teams. Onder leiding van coach Gerrit Kleerekoper namen zij het op tegen de ploegen uit Italië, Groot-Brittannië, Hongarije en Frankrijk.

Woensdagmiddag 8 augustus om kwart over twee betraden de turnsters het middenterrein van het Olympisch Stadion. Hoewel een groot deel van de tribunes leeg bleef, maakte een “geweldige geestdrift en een luidruchtig gejuich” zich meester van het publiek toen de Nederlandse dames aan hun oefeningen begonnen. Het keurkorps van Kleerekoper viel bovendien een bijzondere eer ten deel: voor het eerst bezocht de koninklijke familie de Olympische Spelen. Koningin Wilhelmina, die beschermvrouwe was van het Nederlands Gymnastiek Verbond, sloeg met prins-gemaal Hendrik en kroonprinses Juliana de verrichtingen van de Nederlandse turndames gade vanaf de eretribune.

Onder orkestbegeleiding turnden de “jufferds” foutloos hun vrije oefeningen aan de rekstok. De staaf- en knotsoefeningen verliepen eveneens vlekkeloos en leverden de dames een enthousiast applaus van het publiek op. Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad schreef: “De Nederlandse Olympische turnstersploeg was het eerst aan de beurt. Onze turnsters zagen er keurig uit in haar zwarte turnpakjes en met witte band in het haar. Zij hebben een fraaie demonstratie gegeven van de rhytmische oefeningsvormen”. Nadat achtereenvolgens de “Italiaanse meiskes”, de Engelse en Hongaarse ploeg en tenslotte de Françaises hun kunsten hadden vertoond, stonden de Nederlandse turnsters driekwart punt achter op de Hongaren die met 99,25 punten aan kop gingen.

Donderdagochtend 9 augustus begon met toesteloefeningen. De verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden schreef lovend: ‘De Hollandsche turnsters werkten aan lage, vervolgens aan hoge brug om met ringenzwaai te eindigen. Evenals bij de vrije oefeningen was ook thans alles tot in de puntjes verzorgd. Mooie oefenstof - niet te zwaar -, logisch samengesteld, keurig klassikaal uitgevoerd, prachtig van orde en leiding, in één woord subliem.’ ’s Middags eindigden de wedstrijden met paard-, bok- en trampolinespringen. Kleerekopers keurturnsters maakten “talrijke gedurfde sprongen” op de “2 laaggestelde, 2 met veerplanken en twee in de lengte gestelde” paarden. Ook de jury toonde zich enthousiast en kende het keurkorps van Kleerekoper een totaalscore van 316,75 punten toe, waarmee ze de andere ploegen ver achter zich lieten. Met hun “welverdiend succes” waren de turnsters de eerste vrouwelijke Olympisch kampioenen van Nederland. Om kwart over vijf wapperde de Nederlandse vlag boven het Olympisch Stadion en klonk het Wilhelmus over het middenterrein: “Het gejuich steeg echter ten top, toen Z.K.H. Prins Hendrik naar voren trad en ieder der deelneemsters een hand gaf. Daarna marcheerden zij op muziek even langs de eeretribune, door een ieder luide toegejuicht, en toen verdwenen zij, onze dames, waaraan wij de eerste overwinning danken, onder de tribune naar hun kleedkamers”.

De officiële prijsuitreiking vond plaats op zondagavond 12 augustus. Ditmaal betraden de turndames wel een uitverkocht Olympisch Stadion. Onder luid gejuich van bijna dertigduizend toeschouwers kregen de twaalf turnsters en hun coach uit handen van koningin Wilhelmina de gouden medaille omgehangen. Nadat alle olympiërs gehuldigd waren klonk klaroengeschal en onder het gebulder van vijf kanonschoten werd de olympische vlag gestreken. Op dat moment hadden de turnsters al een andere huldiging achter de rug. Daags na hun triomf al was hen een feestelijke maaltijd aangeboden door het Koninklijk Nederlands Gymnastiek Verbond. De bondsvoorzitter memoreerde trots dat de ploeg pas begin van het jaar was begonnen met de trainigen en dat pas een paar dagen voor aanvang van de Olympische Spelen bekend was welke tien turnsters de Olympische oefeningen zouden uitvoeren: "Slechts een paar malen is samengewerkt, maar er is hard gewerkt". Na het diner liet coach Gerrit Kleerekoper tegenover een verslaggever van het Algemeen Handelsblad iets los over rivaliteit tussen de turnsters uit Den Haag en Amsterdam. Kleerekoper, zelf bij de Amsterdamse turnvereniging Bato coach van vier van de Olympische turnsters, vertelde trots "dat de Amsterdamse dames beter bleken dan de Haagse en dat zes Amsterdamse en vier Haagse dames nu de ploeg hebben gevormd. Hulde dus voor Amsterdam!"

Van de twaalf vrouwen uit de gouden turnploeg waren er vijf van joodse afkomst. Van hen overleefde alleen Elka de Levie (Amsterdam 21 november 1905) de Tweede Wereldoorlog doordat ze kon onderduiken met haar twee dochtertjes. Net als hun coach Gerrit Kleerekoper kwamen Stella Agsterribe, Lea Nordheim, Ans Polak en Judikje Simons om in vernietigingskampen in Polen.

 

Estella Agsteribbe (Amsterdam 6 april 1909) was de enige van de gouden vrouwen die op topniveau bleef turnen. In 1932 maakte zij deel uit van het team voor de Olympische Spelen maar wegens geldgebrek bleef de turnploeg thuis. Vervolgens zetten zij en coach Gerrit Kleerekoper hun zinnen op de Olympische Spelen in Berlijn. Vanwege de toenemende anti-joodse stemming weigerden zij echter naar Duitsland te gaan. Inmiddels was Estella op 7 maart 1934 getrouwd met Samuel Blits en woonde ze aan de Griftstraat 29 in Amsterdam. Met haar twee jaar oude zoontje Alfred en zes jaar oude dochtertje Nanny stierf zij op 17 september 1943 in Auschwitz. Haar man kwam daar op 28 april 1944 om het leven.

Helena Nordheim (Amsterdam 1 augustus 1903) stopte net als Elka de Levie en Anna Polak rond 1931 met turnen. Ze werd kapster en nadat ze getrouwd was met Abraham Kloot woonde ze aan de Tweede Boerhaavestraat 40. Op 2 juli 1943 werd het echtpaar met hun tienjarig dochtertje Rebecca in Sobibor om het leven gebracht.

 

 

 

Anna Polak (Amsterdam 24 november 1906) had een paar maanden voor haar deelname aan de Olympische Spelen de prestigieuze Steenwedstrijd in Amsterdam gewonnen. Op 8 januari 1928 ontving zij een marmeren steen waarin haar naam gegraveerd was. Ze zou deze steen nog vijf maal in de wacht slepen. Haar oefeningen stonden tijdens een ‘fijnen turnmiddag’ op een uitzonderlijk hoog niveau en verleidden een turnbestuurder tot de - achteraf profetische - opmerking: “Dit moet een baken zijn op weg naar de Olympische Spelen”. Op 25 juni 1936 trouwde zij met Barend Dresden waarna ze een woning vonden aan de Van Woustraat 174. Samen met haar zesjarig dochtertje Eva werd zij op 23 juli 1943 in Sobibor om het leven gebracht. Haar man Barend stierf enkele maanden later in Auschwitz.

De Amsterdamse turnsters Stella Agsterribbe, Lea Nordheim en Ans Polak waren alle drie lid van turnvereniging Bato, waar Gerrit Kleerekoper hun coach was. Van oorsprong was Gerrit Kleerekoper (Amsterdam 15 februari 1897) diamantslijper maar hij verwierf grote faam als turncoach. Op 28 mei 1919 trad hij in het huwelijk met Kaatje Ossendrijver. Met hun dochter Elisabeth (14 oktober 1928) en zoon Leendert (15 januari 1923) woonden zij aanvankelijk aan de Rivierenlaan 94 in Amsterdam om later te verhuizen naar de Transvaalstraat 136. Met hetzelfde transport waarmee Lea Nordheim en haar gezin werden gedeporteerd, gingen Gerrit Kleerekoper, zijn vrouw Kaatje en dochter Elisabeth naar Sobibor, waar zij op 2 juli 1943 om het leven werden gebracht. Hun zoon Leendert stierf een jaar later op 30 juli 1944 in Auschwitz.

Judik Simons (Den Haag 20 augustus 1904) was een van de reserves bij het gouden turnteam. Haar ouders hadden een juwelierszaak in Den Haag, zelf behaalde ze in 1923 haar bevoegdheid als onderwijzeres nadat ze eerder al ‘huis- en schoolonderwijs in de Vrije en Ordeoefeningen der Gymnastiek” mocht geven. Zij trouwde in 1935 met de godsdienstleraar Bernard Themans. Vanaf juni 1937 voerde het echtpaar de directie van het Centraal Israëlitisch Weeshuis aan de Nieuwegracht 92 in Utrecht. Zij woonden in het weeshuis en ook hun kinderen Sonja (9 maart 1938) en Leon (28 februari 1940) werden er geboren. Nadat in februari 1942 de Duitse weeskinderen al naar Westerbork waren overgebracht, moest het weeshuis in oktober dat jaar geheel sluiten. De overgebleven kinderen, het personeel en het gezin van Judik Simons kregen onderdak in een pand aan de Geldersekade te Amsterdam totdat zij op 10 februari 1943 naar Westerbork werden overgebracht. In de eerste week van hun verblijf hadden de Themans nog eenmaal contact met het bestuur van hun weeshuis. Tijdens een vergadering heeft één van de bestuursleden “de groeten van de directie en van de kinderen uit Westerbork overgebracht, en hij prijst de byzonder goede houding van personeel en kinderen”. Slechts enkele van de weeskinderen overleefden de oorlog. Het gezin van Judik Themans werd op 20 maart 1943 in Sobibor om het leven gebracht.

Bronnen:
Brouwer E., "De moord op een gouden turnploeg: van de top van de Olympus naar de hel van Sobibor" in: Liempt A. van & J. Luitzen (red.), Sport in de oorlog: meer verzetje dan verzet (Amsterdam en Antwerpen 2010)
Crone F., Voorbijgaand verblijf: Joodse weeskinderen in oorlogstijd (Amsterdam 2005)
Schaffer K. & S. Smith, The Olympics at the millennium: power, politics and the games (New Brunswick, New Jersey, Londen 2000) blz. 60-61


Terug naar "Slachtoffers"

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres