Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Jetje en Sientje Veterman

"je zag er geen mens"
In november 1942 werd in Zwolle de negentienjarige Jetje Veterman met haar zus Sientje, hun broertje en hun ouders opgepakt en naar Westerbork overgebracht. Omdat Jetje in het kamp werk vond als ordonnans in de strafbarak, werd zij niet direct op transport gesteld naar het oosten. Dat gold eveneens voor haar zus, die werkte in de keuken, en ook voor haar broertje, die hielp bij de bouw van barakken. Hun moeder vond werk in de wasserij, terwijl hun vader al snel op transport gesteld werd. Van de joodse vluchtelingen uit Duitsland, die ook in Westerbork gevangen zaten, had Jetje geen gunstige indruk. ‘De Duitse joden die er waren, waren over het algemeen even erg als de gewone Duitsers’, verklaarde zij in 1947.

In maart 1943 werden ook Jetje en haar zus weggevoerd richting Auschwitz. Maar bij het kamp aangekomen, reed de trein door. Van dit kamp had zij geen glimp kunnen opvangen. ‘Wij hebben alleen maar geschreeuw gehoord en verder niets’. De trein reed door naar Sobibor, waar de mannen en vrouwen na aankomst direct werden gescheiden door de kamp-SS’ers. Wat er met de mannen gebeurde heeft Jetje niet gezien. De vrouwen ‘moesten doorlopen en met riemen bewapend liepen ze achter ons aan. Er werd ons gevraagd of we wilden werken en dat wij ons konden opgeven voor de wasserij, fabriek enz.’ Vervolgens werden de jonge vrouwen die voor werk waren geselecteerd - onder wie ook Jetje en Sientje - op de appèlplaats gefouilleerd. ‘Alles werd ons afgenomen, bagage, sieraden enz.’ In dezelfde trein waarmee zij gekomen waren, werden de vrouwen weer weggevoerd. Van het kamp had Jetje geen duidelijk beeld kunnen krijgen. ‘We wisten niet wat Sobibor eigenlijk was. Je zag er geen mens, de barakken waren helemaal leeg, geen bedden niets.’ 

in de kledingsorteerderij en de marmeladefabriek
De bestemming van de trein bleek het werkkamp Lublin-Flugplatz te zijn. Ooit waren hier in grote hallen vliegtuigen geassembleerd. Samen met andere Nederlandse vrouwen, onder wie Cato Polak, de zussen Suze en Surry Polak, Mirjam Penha-Blits, Sophie Huisman, Bertha Ensel en Judith Eliazer, moesten Jetje en haar zus in de fabriekshallen kleding sorteren die afkomstig was van vermoorde joden. Van Lublin werden de kleren per trein naar Duitsland vervoerd. In de kledingsorteerderij waren ook honderden Poolse jodinnen tewerkgesteld, die maar niet konden geloven dat de Nederlandse vrouwen ook joden waren - zij spraken immers geen Jiddisch.

Ook in dit werkkamp vonden voortdurend selecties plaats en het kwam erop aan vooral niet ziek te worden. Maar de omstandigheden waarin geleefd en gewerkt werd,  verslechterden zienderogen en Jetje liep tyfus op. Zij kwam terecht in het Revier, maar ook hier was zij haar leven niet zeker want regelmatig werden de zwakste gevangenen weggehaald. Vlak voordat een selectie zou plaatsvinden, bleek Jetje koortsvrij te zijn en was zij net op tijd weer aan het werk gegaan.

Kort daarop werd zij met andere meisjes op transport gesteld naar een door de Wehrmacht geëxploiteerde marmeladefabriek in Mileow, waar de omstandigheden betrekkelijk goed waren. De paardenstal op het fabrieksterrein diende als slaapplaats voor zowel vrouwen als mannen. Het eten was er stukken beter en de vrouwen werden er door de bewakers niet voortdurend toegeschreeuwd. De mannelijke gevangenen bleken afkomstig uit het werkkamp Trawniki, maar werden op een dag weer naar dit kamp teruggevoerd. Ook Jetje en de andere vrouwen werden hier later naartoe gebracht. ‘Hier was het vreselijk, het rook er naar gas en alle barakken waren leeg. Wij moesten beginnen met de barakken schoon te maken. De mannen die een dag te voren weggegaan waren, zagen wij niet meer.‘ Die mannen waren samen met de meeste andere joden in kampen in Lublin en omstreken begin november doodgeschoten tijdens een massaslachting, die door de SS onder de codenaam operatie Erntefest was aangericht. Ruim 42.000 joden werden tijdens deze orgie van geweld om het leven gebracht. In Trawniki bedroeg het dodental ongeveer 6.000. 

"we konden zoveel kleren uitzoeken als we wilden"
In Trawniki aangekomen, had Jetje mannelijke gevangenen nog de lijken zien verbranden. Omdat zij daarna zelf werden doodgeschoten, vreesde Jetje dat dit ook het lot van haar en de andere vrouwen zou zijn. Maar ‘de Oberscharführer was heel goed voor ons en vertelde dat wij hier zouden blijven en het goed zouden hebben. Wij hebben inderdaad goed eten gehad en konden ons zoveel kleren uitzoeken als wij wilden’. In Trawniki werden Jetje en de andere Nederlandse vrouwen onder andere tewerkgesteld in de moestuinen en in de kleermakerij.

Acht maanden later keerden de vrouwen weer terug naar Lublin, waar zij in de groentetuin van het kamp werkten. ‘Ik was zo’n beetje Kapo van het landgoed. Wij moesten een grote tuin bewerken, aardappels poten enz. Doordat wij de hele dag buiten waren, konden wij veel organiseren. Soms waren er goede posten. Met de Vorarbeiterinnen die met mij meegingen, kon ik wel het een en ander smokkelen.’ Omdat het Rode Leger in snel tempo oprukte, werd het kamp in de zomer van 1944 in allerijl ontruimd. Onder begeleiding van SS en Wehrmacht begon de dodenmars van de gevangenen naar Auschwitz. Bij het verlaten van het kamp was de stoet gebombardeerd door Sovjetvliegtuigen. De Duitsers gebruikten de gevangenen toen als schild door hen op zich te trekken. Er werd dag en nacht doorgelopen, en velen waren de uitputting nabij. ‘Wanneer je niet mee kon komen, dan werd je doodgeschoten.’ Omdat ook de Duitsers totaal afgemat waren, werd het laatste deel van de tocht per trein afgelegd.

"bij het draad heb ik hem nog gesproken"
In Auschwitz-Birkenau werden de vrouwen eerst gedesinfecteerd en daarna in de Schreibstube geregistreerd. Jetje is niet lang in Auschwitz gebleven, in september 1944 werd zij alweer op transport gesteld. ‘Er was toen een algemene selectie’, aldus Jetje, ‘Alle barakken werden bij elkaar geroepen. Dr Mengele kwam selecteren. Een groot aantal is toen vergast.’ Bij het verlaten van het kamp zag Jetje haar zus Sientje staan. Ze had schurft opgelopen en Jetje wist niet beter of haar zus zou ook in de gaskamer verdwijnen.

Jetje kwam met andere Nederlandse vrouwen na een lange tocht terecht in Bergen-Belsen, ten noorden van Hannover, waar zij hard moesten werken en veel werden geslagen. Zij kreeg er voor de tweede keer tyfus. In dit kamp bereikte haar een levensteken van haar zus, die naar Buchenwald en vervolgens naar Lippstadt bleek te zijn overgebracht. Uiteindelijk zou Sientje in Kaunitz het einde van de oorlog meemaken. In Bergen-Belsen vernam Jetje ook dat een neef van haar werkte in het Diamantlager, dat op transport gesteld zou worden. ‘Op een keer, ’s avonds bij het draad heb ik hem nog gesproken.’ In Bergen-Belsen is Jetje bevrijd. Via Celle werd zij met andere Nederlanders naar Enschede vervoerd.

Terug naar "Nederlandse overlevenden"

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres